|
Juryrapport Natuurlijk hadden we detailkritiek op deze of gene. Een stem die iets te nasaal was om constant prettig beluisterbaar te zijn. Een neiging om naar het eind van een zin toe iets weg te zakken in volume en expressie. En af en toe iets te veel onervarenheid in het maken van een compact studio-interviewtje. Het is bijvoorbeeld zonde van de tijd de gast bij wijze van openingsvraag te verzoeken om het onderwerp van gesprek te definiëren - dat kan de presentator ter introductie veel beter zelf even doen, waarna de eerste vraag meteen tot de kern komt. Ook een gesprekje over een buitengewoon luchtig onderwerp hoeft niet in een babbeltje te verzanden - dat kan spannender als de vragen net iets uitdagender, net iets specifieker zijn. Maar alles bij elkaar wordt er tegenwoordig, te oordelen naar onze kandidaten, door heel wat twintigers en dertigers op een vakkundig niveau gewerkt. Zo zagen we meer dan eens hoe een presentator in een tv-studio tijdens een krantenoverzicht met groot gemak zat te schakelen tussen de tekst op de autocue en de tekst in de kranten die op de desk lagen. Dat vergt meer techniek dan de gemiddelde kijker zou denken. De gemiddelde kijker staat er trouwens niet eens bij stil; die begint pas een onbestemd soort ongemak te ervaren als de presentator juist níet een ontspannen indruk weet te maken. Dat vergt een mate van losheid die we in menigeen hebben bewonderd. Microfoonangst en camera-angst lijken iets van vroeger te worden. Naarmate steeds meer mensen gewend raken aan eigen cameraatjes - mobieltjes, webcams - groeit blijkbaar ook de gewenning bij degenen die er hun beroep van maken. En daar zaten we dus, met veertien kandidaten. Wij - dat waren de zeer gerenommeerde Henny Stoel en Frits Spits, Kees de Groot van de Media Academie die gespecialiseerd is in het beoordelen van jong talent, Lucella Carasso die vier jaar geleden de Philip Bloemendal Prijs won en sindsdien demonstreert hoe terecht dat was, en voor het eerst ook Bert Steinkamp die als collega van Philip Bloemendal niet alleen de traditie vertegenwoordigde, maar tegelijk ook bewees dat er zoiets bestaat als tijdloze kwaliteit. En ik, als enige niet-vakman in hun midden, voelde me min of meer de vertegenwoordiger van het geïnteresseerde publiek. De gesprekken gingen dus niet over wie goed was en wie slecht, want slecht was niemand. Hooguit iets minder dan de rest, nét iets minder opvallend, nét iets minder een persoonlijkheid, nét iets minder bedreven in de ambachtelijke kanten van hun werk. Daar komt uiteraard persoonlijke smaak bij kijken, maar toch bleek er ook al snel zoiets als een gemeenschappelijke noemer te bestaan waardoor de meningen meestal niet ver uiteenliepen. Daar waren geen vruchteloze discussies over de criteria voor nodig. Kwaliteit is niet te vangen in een checklijstje van richtlijnen en criteria. De enige definitie waar we af en toe bij moesten stilstaan, was die van het jonge, aankomende talent. Want wat is jong en wat is aankomend? Iemand die allang boven de dertig is, kan nog maar zo kort in dit vak werken dat-ie wel degelijk aankomend is. Terwijl een twintiger soms al zo gesetteld kan zijn dat een stimuleringsprijs misschien niet helemaal gepast meer is. En zo, plussend en minnend, maar uiteindelijk unaniem, kwam de jury tot de drie nominaties. Drie genomineerden, zeg ik nog maar even voor alle zekerheid, die daarmee dus eigenlijk alle drie door ons bekroond zijn. Er is er alleen maar één die straks de prijs krijgt. In alfabetische volgorde: Sofie van den Enk, 28 jaar Michiel Vos, 37 jaar Herman van der Zandt, 34 jaar HENK VAN GELDER, Voorzitter Jury Leden: Henny Stoel, Lucella Carasso, Kees de Groot, Frits Spits, Bert Steinkamp. 11 december 2008 |